Sunday, November 16, 2008

Where the streets have no name

geschreven: 16-nov-2008, Nagasaki.

I wanna reach out
And touch the flame
Where the streets have no name

[Where the streets have no name, U2]

Wanneer ik op mijn gemak door Nagasaki fiets, of loop voor wat dat aangaat, vind ik mijn gedachten regelmatig op weg naar dit nummer, Where the streets have no name. Ik kan niet anders dan bedenken dat dit nummer perfect op Japan had kunnen slaan, al is dat niet het geval. Soms zoekend door smalle kronkelende straten, heuvel op, afslag in of dan weer wachtend voor het stoplicht, het zijn slechts de aanwezige herkenningspunten die me de wegwijzen, die me aan de hand nemen en daar naar toe leiden waar ik zijn moet. ‘Waar de straten geen naam hebben,’ ik vind het een prachtige zinsnede, een prachtig nummer bovendien.

Japan dus, waar de meeste straten daadwerkelijk geen naam hebben, op de grote straten in grote steden na. Het Japanse stratensysteem is namelijk gebaseerd op huizenblokken gearrangeerd aan de hand van nummers, die vaak ook nog eens in onlogische volgorde naast elkaar liggen zodat het voor een vreemde een heel gedoe kan zijn om het juiste adres te vinden in al die kleine steegjes, lijkt me. Zo woon ik in gebouw 1, huizenblok 12 van het stadsdeel Nishi-machi. Geen straatnaam te bekennen.


[links, Nagasaki University International House]
[rechts, bron: Nagasaki City Tourism Guide]

En dus vind ik mijn weg door een stad waar de straten geen naam hebben. Waar de meeste straten voor mij ook geen betekenis hebben anders dan dat ze de schoonheid van het land uitdrukken. Straten bovendien die ongelofelijk schoon zijn en met het verkeer rijdend aan de linker kant van de weg. Het was even wennen. Heel even. Een tel of wat. Na een paar keer flink op de rem gestaan te hebben en bochten veel te ruim of juist te krap genomen te hebben, had ik het door. Bovendien is het de bedoeling – het kan eigenlijk ook niet anders – om op de stoep te fietsen als die er is, dus veel kan er niet fout gaan. De ene keer dat ik en passant bijna iemand die net een winkel uit stapte ondersteboven reed niet meegerekend. Kan gebeuren.

Wednesday, November 12, 2008

Onderdompelen in Japan

geschreven: 08-nov-2008, Nagasaki.

Rimpeling op het kloppend hart, een droomgezicht
de waterdamp daalt op me neer
als nevel boven de koude ochtendgrond
maar de regen wast het schoon.

[de zin ‘maar de regen wast het schoon’ is ontleend aan het nummer Regen van Bløf]

Het hete bad blaast haar stoom uit in de nachtelijke hemel. Fijne regen valt neer op mijn huid en biedt enige verkoeling aan mijn bovenlichaam. Het badhuis (銭湯, sentō) ligt op nog geen vijf minuten fietsen vanaf het International House, zodat er een trend aan het ontstaan is om regelmatig laat op de avond het badhuis te bezoeken. Na een week lang colleges volgen is het heerlijk ontspannen in het warme water en evenzo verfrissend om kortstondig in het koude bad te plonsen. Uit het drinkkraantje in de hoek komt zowaar lekker water, in tegen stelling tot dat wat ‘thuis’ uit de kraan komt. De straal staat omhoog gericht zodat het water met een ogenschijnlijk ietwat zoete smaak eenvoudig te drinken is. En na een bezoekje aan het badhuis is het lichaam zo tot rust gekomen dat je eenvoudig in slaap valt, hongerig, dat wel. Op de een of andere manier maakt het warme water een niet te stillen honger los.

De konbini (kleine 24-uurs winkel) biedt enigszins uitkomst. Eigenlijk schandalig om rond half 2 ’s nachts nog naar de winkel te gaan om me even later thuis te goed te doen aan een pizapan (een soort brood met een pizzatopping). Maar je moet toch wat. Op die momenten waarop de honger toe slaat denk ik met weemoed terug aan Nederland. En dan met name aan de pannenkoeken met roomkaas en gerookte zalm. Heerlijk. Of aan een eenvoudige boterham met kaas. Het einde!





Over slaap gesproken, onlangs schudde diep in de nacht de aarde in Nagasaki, zei het met een geringe kracht op de schaal van Richter. Het beven bleef aanhouden voor slechts zes seconden, waarna de nachtrust weer hersteld werd. Nauwelijks genoeg tijd om te beseffen wat er gebeurt of ook maar iets te ondernemen en onder het bureau te duiken zoals de instructies luiden.

Maar, jawel, ik lag te slapen. Vast te slapen.

Ik had van een beving geen weet, noch van een wereld buiten mijn droomwereld. Die zes seconden waren voor mij nog niet eens genoeg om wakker te worden. Hoogstwaarschijnlijk heb ik me nog eens omgedraaid en de deken wat hoger opgetrokken tegen de koude die in de nacht om het bed heen hangt, in plaats van me met een bonkend hart af te vragen wat er aan de hand is. Om eerlijk te zijn was ik lichtelijk teleurgesteld toen ik hoorde dat er een zwakke aardbeving was geweest terwijl ik helemaal niets heb gevoeld. Kans gemist. Niet dat ik de hoop koester de schade die een aardbeving kan veroorzaken met eigen ogen te zien, maar ik wil toch eigenlijk wel eens voelen hoe het is als deze natuurkracht opspeelt.



Thursday, October 30, 2008

De ademhaling van het seizoen

geschreven: 29-0kt-2008, Nagasaki.

Zachte koele wind, streelt
dauw schittert
de zonnegloed omarmend
de ochtend tegemoet.


Wanneer ik ’s ochtends vroeg op mijn fiets stap is het zadel nog vochtig, klam zelfs. Dauwdruppels glinsteren op het oppervlak, wachtend om door de warme stralen van de ochtendzon aangeraakt te worden. Ze kleuren als een regenboog in wording, voorzichtig met fletse kleuren, bang om al van het zadel af te glijden.

De zon laat echter nog nauwelijks van zich zien, hoewel ze toch aanwezig is in de ochtendlucht die schuilgaat achter de bewolking. De temperatuur is de afgelopen week plotseling gezakt van een ruime 25 graden tot, ik schat, een magere 18 graden, alsof ik niet ontelbare kilometers van Nederland afzit maar opeens ben genaderd tot ergens in Zuid-Frankrijk op een overbrugbare afstand vanaf Nederland. Dit gebeurde bijna net zo plotseling als de yen sterker is geworden in de korte tijd, ongemerkt toch al één maand, dat ik hier ben.

Ik heb er al vaker over geschreven, de avond en ochtend hier in Japan. Waarschijnlijk zal ik dat ook nog vaker doen, want het heeft iets, iets waar ik de naam niet goed op kan leggen. Iets wat ook ongelofelijk moeilijk te beschrijven is. Boven op de berg 稲佐山 (Inasa-yama), met uitzicht over de stad aan de ene kant en de uitgestrekte zee aan de andere kant, word je na de lange rit naar boven à bout portant overdonderd door de schoonheid van het land. Overdag is dit uitzicht al overweldigend, laat staan met de ondergaande zon niet ver meer verwijderd van de waterlijn.





Ik ben bijna geneigd te zeggen dat hetgeen wat hier in de lucht hangt spiritualiteit is.

There is indeed something spiritual in this place. And though it may forever be obscure to me, I cannot but be aware of its power.
[Nathan Algren (Tom Cruise) in The Last Samurai]

Het enige wat ontbreekt is het lage gebrom van monniken, maar die bedenk ik er voor de vorm zelf bij. Het trillende geluid reikt tot ver in de omgeving, als eens zachte zucht wind die door de bomen ritselt alvorens bij mij op de huid te tintelen.












[Sander in Japanse Karakters]

Monday, October 20, 2008

Het ritme van de stad

geschreven: 20-okt-2008, Nagasaki.

Het straatbeeld wordt bepaald door de vele kabels die kriskras door elkaar, langs en boven de wegen kronkelen. Door de kleine huisjes, met hier en daar een eetgelegenheid die de naam nauwelijks waardig is, qua grootte dan en meer weg heeft van een soort thuisrestaurant.

De aorta waar alle kleine straatjes op uitkomen, barst van de bedrijvigheid. Deze brede straat is altijd in leven, met de pulserende verkeersstromen kloppend op het ritme van de stad. Trams ratelen voorbij. Een Isuzu-vrachtwagen slaat rechtsaf, gevolgd door een hele reeks Toyota- en Suzuki personenauto’s. Op de achtergrond torenen de bergen boven de gebouwen uit als een altijd aanwezige massieve massa die het leven in de stad beschermt, zichtbaar vanuit bijna elke hoek van Nagasaki. Ze vormen de ribbenkast van dit organisme.

Oude vrouwtjes lopen schuifelend over het zebrapad met een paraplu opgestoken tegen de zengende hitte van de middagzon. Tegen een uur of drie komt deze op haar hoogtepunt om zo rond de klok van zes – eerst langzaam en dan plotseling – achter de horizon weg te zakken en de verkoelende duisternis in te luiden.





Vanavond ben ik die duisternis ingestapt. Op zoek naar iets, iets wat me zou raken en de tijd stil doen staan. Ik vind het een aantal meters boven de drukke verkeersweg, op de voetgangersbrug. Vanaf deze smalle brug kan ik het minutenlang volhouden, misschien zelfs wel uren: kijken naar de verkeersstromen onder mij. Het is indrukwekkend om te zien, de efficiëntie waarmee het gemotoriseerd verkeer zijn weg zoekt door dit onmetelijke lichaam. Tijd bestaat niet in zijn concrete vorm, haast is niet op te merken. Het enige wat hier en nu telt is het ritme van de stad. Ik laat me in gedachten meevoeren met het pulserende ritme, mee op de oranjegele lijnen van licht die lijken te zweven boven de weg. Ik ga de hele stad door, soms halt houdend voor het stoplicht. Ik kom langs plekken waar ik nog nooit ben geweest, plekken die het licht – en mij erbij – aantrekken. Ik sla ze op in mijn onderbewustzijn, als gegevens die wachten om ontdekt te worden.





Maar het dient gezegd te worden, ik ben niet bij machte om deze stad met pen te beschrijven. Ik kan het keer op keer proberen, het lukt me niet. Dit levende organisme laat zich niet vangen in de wereld van het geschreven woord noch in die van de beeldende fotografie, om te worden tot een statisch aftreksel van de realiteit. Zulk soort problemen is niet alleen mij bekend, ook Martin Bril kan er niet aan ontkomen:

Sommige dingen zijn verdomd moeilijk onder de knie te krijgen. Zo ben ik al jaren bezig met de kleur blauw, meer in het bijzonder: het blauw dat de hemel kleurt.

Hoe omschrijf je dat?

Of kun je volstaan met de mededeling "de lucht was blauw"? Dat vind ik eerlijk gezegd te weinig. Er moet over een blauwe lucht meer te zeggen zijn, zeker over dat herfstige blauw van gisteren.

Minstens zo intrigerend, en misschien nog wel moeilijker: het geluid van een stuiterende tennisbal. En dan niet een bal die heen en weer wordt geslagen, maar een bal die vanuit een hand op en neer op de grond valt - is vallen wel het juiste woord in dit verband? Hoe dan ook: er kan iets dreigends van dat geluid uitgaan, een zekere macht.

Ik heb nog wel meer van dit soort problemen die me al jaren achtervolgen. De geur van gras, gebakken spek, vrouwenzweet. Omschrijf het maar eens in zijn kloppende volledigheid. Als me dat lukt, ben ik enorme sprongen verder. En al die tijd bestaat het risico dat je iemand leest die er wel al in is geslaagd.

[uit: Een Blauwe Lucht, Martin Bril, de Volkskrant 15-okt-2008]

En dus is het hoogstwaarschijnlijk wachten tot het moment waarop ik iemand lees die er wel al in is geslaagd.





Thursday, October 9, 2008

A potful of spaghetti

geschreven: 08-okt-2008, Nagasaki.

When the phone rang I was in the kitchen, boiling a potful of spaghetti and whistling along with an FM broadcast of the overture to Rossini's The Thieving Magpie, which has to be the perfect music for cooking pasta. I wanted to ignore the phone, not only because the spaghetti was nearly done, but because Claudio Abbado was bringing the London Symphony to its musical climax.
[uit: Wind-up Bird Chronicle, Murakami Haruki, transl: J. Rubin]

Het water begint aan de kook te raken. Luchtbellen vinden hun weg naar het oppervlak, waar ze uiteenspatten. Ik laat de spaghetti het water in zakken, de sprieten zoeken vrolijk hun weg in het kleine pannetje, als kinderen die van de glijbaan gaan. Enkele minuten koken, en ik bevind me midden in de scene uit De Opwindvogelkronieken. Goed, ik heb geen muziek op staan, zeker niet dé perfecte muziek om pasta bij te koken. En de telefoon doet er het zwijgen toe, simpelweg omdat die er niet is.

De pasta is bijna al dente, niet te zacht niet te stevig.

Toch word ook ik gestoord. Het is geen vrouw die aan de andere kant van de lijn om tien minuten van mijn tijd vraagt. Het zijn mijn gedachten die opspelen onder het geluid van het zacht borrelende water. Ik kan er nog niet aan toegeven, eerst de pasta. Dit is mijn eerste zelf bereide maaltijd in Japan, met de ingrediënten gezeefde tomaat, tonijn uit blik, een zakje groenten en natuurlijk de spaghetti.

Ik draai het vuur op een lage stand om de spaghetti af te gieten en de andere ingrediënten toe te voegen. Nog even zachtjes opnieuw laten koken, heel even. In gedachten klinken de klanken van The Thieving Magpie – bij wijze van dan.

Dan is het klaar en draai ik het gas helemaal uit. Met een volle kom eten plof ik op de stoel neer, tevreden. De eerste zelf bereide maaltijd, dat betekent dat ik nu echt in Japan woon. Voorheen was het van tijd tot tijd een vakantiegevoel dat overheerste, maar nu lijkt het dan echt begonnen, met bovendien de colleges die morgen van start gaan.







Tuesday, October 7, 2008

Het land van de rijzende zon

geschreven: 05-okt-2008, Nagasaki.

日出ずる国 (hi-izuru-kuni), het land van de rijzende zon, mag dan wel het land zijn waar de zon als eerste haar gloren over het land doet schijnen om een nieuwe dag aan te kondigen, die munt heeft ook een keerzijde. ’s Avonds wordt het al vroeg donker, en bovendien valt de avond plotseling in.

Cicades sjirpen dat het een lieve lust is en de airconditioning zoemt om de binnentemperatuur op een aangename tweeëntwintig graden Celsius te houden. De koude lucht circuleert door de kamer. Het trekkoortje van de lamp deint mee op de luchtstroom, zoals een vissersboot in de haven tijdens het lossen van de vangst meedeint op de golven die tegen de kade klotsen. Het uitzicht door het raam levert een fraai panorama op van lichten die zich aan de berg klampen, steeds hoger de hemel in, totdat dit schijnsel van lampen overgaat in de kleine lichtpuntjes van de sterren.



Nee, deze keerzijde kan geenszins een minpunt zijn van die andere zijde, het ochtendgloren.

De dikke druppels die vandaag overdag uit de lucht zijn komen vallen, lijken weer omhoog gezogen te worden om de lucht te bezwangeren met een klamheid die de avond zwoel maakt. De zee is hier een goede vijf kilometer vandaan, maar er is niks van te merken. Om eerlijk te zijn heb ik er zelfs nog geen glimp van opgevangen, terwijl de Hollanders een dikke driehonderd jaar geleden – van 1641 tot 1859 – gekluisterd waren aan een kunstmatig eiland in de baai van Nagasaki. Te weten Dejima (in Japanse karakters 出島). Hun hoop kwam op schitterende koopvaardijschepen aanvaren, via die schepen was de enige mogelijkheid tot contact met het thuisland, en ook de enige manier om weer terug naar huis te gaan. Maar de handel tussen Nederland en Japan floreerde, en een sterke relatie tot op de dag van vandaag was gevestigd.


[bron: de Volkskrant]

Nu zijn er gelukkig tal van andere communicatiemiddelen om contact te houden met Nederland. De postduif hoeft nu niet uit te vliegen en kan rustig op mijn bureau blijven zitten met een bericht van thuis tussen de pootjes. Verdere berichten zullen razendsnel over een digitaal netwerk overgebracht worden. Het stemt mij gelukkig, het geeft houvast om te weten dat je de mensen om wie je geeft elk moment kunt bereiken.

Saturday, October 4, 2008

De eerste stappen op Japanse bodem

geschreven: 25-sept-2008, Tokyo.

Een aantal indrukken van de eerste dag in Tokyo, Japan.

“Het is net Nederland.”
(vanaf, laten we zeggen, een paar honderd meter hoogte uit een klein vliegtuigraampje)

“…Maar dan mooier.”
(enkele tellen vóór de landing op vliegveld Narita, nadat eerste oppervlakkige indrukken van weilanden met slingerende wegen en een grote meanderende rivier daar dwars doorheen, zich weten te herformeren tot een beeld van een landschap waarin prachtige traditioneel Japanse huizen zich niet opdringen maar in harmonie zijn met de natuur)



“…En met een wel erg hoge luchtvochtigheidsgraad, die als een warme sluier op het lichaam neerdaalt en samen met de hitte –hoewel het redelijk bewolkt is – parelende druppels van zweet tevoorschijn doet komen, als dauwdruppels op ochtendgras”
(goed en wel twee stappen uit het vliegtuig in de slurf)

Goed, ik ben dus in Japan, eindelijk!



Vervolgens kom je terecht in het openbaar vervoer, waar een aantal dingen opvallen. Ten eerste dienen roltrappen als volgt, mits voldoende breed, benaderd te worden: ga links staan zodat er genoeg ruimte aan de rechterkant is om mensen te laten passeren, en wanneer je je aan de rechterhelft bevindt, loop dan ook daadwerkelijk met de roltrap mee en blijf niet nietsvermoedend rechts staan totdat er zich een rij heeft gevormd achter je – overigens zullen vele Japanners zich dan niet in alle hoeken wringen om je te passeren. Wel zie je alle Japanners die niet met de roltrap meelopen keurig aan de linkerkant staan. In Nederland heeft de praktijk zich allang ontdaan van zo’n beleefdheid.

"We hebben een beller."
(sommige treinen/metro's maken een telefoongeluid als waarschuwingssignaal dat hij gaat vertrekken. Ook andere geluiden, zoals vrolijke deuntjes, hoor je vaak)

En wanneer het poortje in de metrostations niet opent wanneer je je kaartje er in hebt gestopt en dit kaartje vervolgs weer zonder resultaat opnieuw naar buiten floept, kan je het nog een keer proberen. Allicht nog een derde keer, en vierde en vijfde, maar als je bij de tiende poging nog steeds vruchteloos vóór het poortje staat, laat dan het besef doordringen dat je wellicht een verkeerd kaartje hebt.
(wat komt doordat er verschillende maatschappijen zijn)

Geen paniek!

Er is wat op bedacht: een kaart die door alle maatschappijen geaccepteerd wordt, en die je op kan laden. Zo hoef je dus niet elke keer een kaartje te kopen.
(dus daar waar Nederland zo ongelooflijk prutst met de OV-chipkaart, werkt het hier wel gewoon. Al moet gezegd worden dat de poortjes niet geweldig hoog zijn en je er redelijk eenvoudig langs zou kunnen komen zonder te betalen, wat in Nederland ook geheid zou gebeuren)

Dan op straat:

Op het moment dat je dorst krijgt dient er zich altijd wel een vending machine aan, welke je goedkoop aan een koel drankje kan helpen.
(je moet natuurlijk wel een klein bedrag aan Yen bij je hebben, en daar is soms best lastig aan te komen omdat niet elk pinautomaat buitenlandse bankpasjes accepteert)
Probeer eens koude groene thee! Behoorlijk bitter, geen vleugje zoetstof die je eigenlijk verwacht – en meer nog op hoopt – maar na een paar slokken toch best lekker blijkt te zijn.

En tot slot: "waar blijft de jetlag nou?!?"