Saturday, December 17, 2011

Winter

Een sneeuwgordijn als
ochtendmist in haar ogen-
een winter morgen.


Thursday, December 1, 2011

Het dansende meisje

Ik blader terug in mijn notitieblok met hoofdzakelijk onbeschreven pagina’s. Toch vind ik het volgende, geschreven in augustus:

De cicaden bezingen de hitte van de namiddag. Een lofzang op de zomer tussen de fris groene rijstvelden en bergen van Izu, terwijl de wind zacht fluistert door de grassen. Het inspireerde Kawabata Yasunari (1899-1972) tot het schrijven van De danseres van Izu (1926). Ik loop over dezelfde stoffige straten, weg van het kleine stadje met haar heetwaterbronnen, maar kan me niet aan de indruk onttrekken dat er vanaf de tijd van Kawabata veel veranderd moet zijn. De straat is druk met personenauto’s en vrachtverkeer, en het gemoedelijke lijkt er wel van af. Kawabata sjouwde met zijn bescheiden bagage door de bergen, langs verlaten open vlaktes en wist zijn hart begeerd door het dansende meisje van een reisgezelschap. Ik zie het levendig voor me.
                Ze danst en ze danst. Haar kleurrijke jurk zwiert rond haar enkels en haar armen beschrijven de meest sierlijke vormen in de lucht. Haar zwarte haren vallen over haar schouders en ze glimlacht met een schittering in haar ogen. De nacht is donker, maar de volle maan prijkt hoog aan de hemel. Achter me ligt de stad, met lichten die flikkeren maar over het algemeen roerloos zweven zoals de sterren in de nacht. Het licht in haar ogen wordt als een vuurvlieg, en ik word herinnerd aan een eeuwen oud gedicht van Izumi Shikibu:

物思へば沢の蛍も我が身よりあくがれいづる魂かとぞみる。
Mono omo-eba sawa no hotaru mo wa ga mi yori akugare izuru tama ka to zo miru.
Denkend aan mijn geliefde, lijkt zelfs een vuurvlieg boven de beek mijn eigen ziel te zijn, op zoek in verlangen.

Dan ben ik terug in Shizuoka. Ik sta op het dak van een van de gebouwen van de universiteit. Het is volle maan en ik kijk met een aantal anderen uit over de stad en zee. De vuurvlieg klimt naar de hemel en verdwijnt tussen de sterren. Ze blijft dansen tot het ochtend wordt.


Tyfoon vijftien raast over het land. Vanaf ergens in de vroege middag valt de stroom uit, terwijl de wind tegen de ruiten beukt. De regen valt neer in een dicht gordijn. Wanneer de storm eindelijk in kracht afneemt is de avond al gevallen en zit ik in totale duisternis. Ik besluit een eenvoudige maaltijd te bereiden en daarna gewapend met een kleine zaklantaarn naar buiten te gaan. Op straat komen twee lichtpuntjes op me af. Zaklampen slingeren achteloos aan de polsen van de weinige buurtbewoners die eveneens de straat op zijn gegaan en hier en daar danst kaarslicht in woonkamers. Het ruikt naar bos en gemaaid gras. Naar dennen en regen. Overal liggen takken en bladeren, soms zelfs grotere stammen. Ik beklim de trap naar de universiteit en draai me om naar de stad. Dichtbij is alles gehuld in duisternis, maar verderop is de stad verlicht als altijd. Ik stel vast dat de omvang van de stroomuitval en andere schade meevalt, maar er zitten genoeg huishoudens zonder stroom om het op het nieuws te vermelden, zo blijkt de volgende morgen.
        Enkele weken later is menigeen vol van de herfst. Gevoelsmatig is het voor mij nog hoogzomer, met temperaturen die niet onder de vijfentwintig graden komen. Toegegeven, het is een stuk aangenamer en de lucht heeft zijn vochtigheid verloren. Het herfstgevoel komt desalniettemin vanuit een andere hoek, zo laat ik me vertellen, namelijk van een geurige, oranje bloesem die kortstondig bloeit in het begin van de herfst: de osmanthus fragrans ofwel kinmokusei. Als dit herfst is mag het van mij altijd wel herfst zijn.




Sunday, April 24, 2011

De oude man en de zee

Oshika is een rustige woonwijk gelegen in het district Suruga en gevlijd tegen de heuvels waarvan theevelden de hellingen vormgeven. Dieper in die bergen klimt de tweebaansweg gestaag omhoog naar het uitzichtpunt op de berg Fuji. Hèt symbool van Japan ligt hier nog geen zestig kilometer vandaan en op heldere dagen prijkt de besneeuwde top boven de huizen uit, zodat de berg lijkt te zweven in de blauwe hemel.
   Langzaam begeef ik mij door de smalle straten. Grote Japanse huizen, statige en moderne varianten daarop en oude schuurtjes worden afgewisseld met appartementenflatjes, veelal twee hoog. Langs me heen dwarrelen roze kersenbloesems en van voren komt de geur van gebraden vlees op me af vanaf het all you can eat-restaurant. Vrouwen betalen twaalfhonderd yen, mannen vijftienhonderd.
    Tsja.
  Ik stel me zo voor dat ik voor minstens drieduizend yen aan Japans eten naar binnen kan stouwen binnen de anderhalf uur die er voor staat, maar ik heb het nog niet geprobeerd.
  Ik begeef me naar de vijver en het postkantoor. Bij het postkantoor vult een student allerhande documenten in, werkt het personeel vriendelijk orders af en staat een jonge vrouw bij de geldautomaat haar bankzaken te regelen. Rondom de vijver zitten oude mannen en jonge kinderen starend naar hun vishengel te wachten op het moment dat ze een spartelend visje met een fonkelende zilveren buik uit het water omhoog kunnen halen. Maar de afgelopen dagen heb ik pas eenmaal gezien hoe iemand een miniem visje aan zijn lijn naar de oppervlakte haalde. Geen gevecht tussen mens en dier, géén grootse overwinning van een der beiden, maar slecht het tillen van een vis uit een groot uitgevallen aquarium. Het lijkt eigenlijk de moeite niet waard. Neem dan het verhaal van Hemingway en zijn De oude man en de zee (1952), dat is pas vissen. Maar dat soort taferelen zal ik hier niet aantreffen; het is dan ook maar een kleine vijver, zo een met een fonteintje er in die eens in de zoveel tijd water in een ruime waaier omhoog sproeit en waar een regenboog verschijnt op de fijne waterdruppels. Aan een kant van de vijver drijft een ponton dat dienst moet doen als een soort pier, in het klein. Overdag spelen de buurtkinderen er, ‘s avonds in het weekeinde omhult de donkere nacht de jongeren die er soms samenkomen.
    Maar nu zitten er vissers rondom de vijver en een groepje vrouwen dat proost op de nieuwe lente. Verderop zit een oude man op een bankje en hij kijkt tevreden voor zich uit. Dag in dag uit maakt hij zijn wandeling door de wijk, hoofdzakelijk rondom deze vijver, en vergenoegd maakt hij hier en daar een praatje met andere gepensioneerden. Zijn gezicht is gebruind door de voorjaarszon. Dit is zo’n man die in zijn arbeidersjaren met zijn boot de zee opging en terugkwam met kanjers van tonijn en heilbot, maar nu hebben de netten van ouderdom zich rond de huid van zijn lichaam gesloten. Zo gaan die dingen.
    Die echte zee is hier trouwens niet ver vandaan, drie kilometer op zijn meest. Soms loop ik er naar toe en kijk uit over het donkere water, als een oude visser met zijn herinneringen. Niet dat ik zoveel te overpeinzen heb, maar de eindeloze mogelijkheden voor de toekomst komen in me op als herinneringen aan later, zoals me dat op Yakushima eerder al overkwam. Déjà vu’s zijn me niet geheel vreemd. De aantrekkingskracht van de weidse zee ook niet. Water is een merkwaardig iets.
   Het herbergt de diepste diepten en overspoelt de grootste onschuld. Het verfrist, het doorweekt. Het vormt de tranen van mijn verdriet en van mijn vreugde. Het verdampt, het regent dat het giet. Het stroomt de hellingen af en over mijn wangen, het voedt me en het streelt me, maar begrijpen kan ik het niet.

Er staat een sterke zeewind, zoals het hier bijna altijd lijkt te waaien. Ik loop verder naar de supermarkt, niet de lokale ‘Moeders voedselmarkt’, maar eentje iets verder weg. Ik heb toch nog niet genoeg kilometers in de benen. Graag loop ik dat stukje extra voor een iets groter assortiment aan deegwaren, lunchpakketten, sauzen, vis, vlees en groenten en fruit. Ik mis sommige producten uit de Nederlandse schappen, maar prijs me gelukkig met kimchi, yakisoba, kara-age, onigiri, sushi, tofu en miso-soep. En melon-brood met stukjes chocolade. De Japanse keuken voorziet in een ruime keuze aan gezonde producten en maaltijden, maar zelfs een Japanner wordt niet stokoud op een dieet van enkel rijst en soja en groene thee. Hoop ik.
   Nog altijd verbaas ik me over het feit dat bromfietsen met de sleutel nog in het contact achter gelaten (kunnen) worden en fietsen niet aan de ketting gelegd (hoeven) worden. Over het feit dat op elke straathoek een drinkautomaat staat, dat mensen elkaar nog op straat groeten en dat hier in Shizuoka in sommige gevallen Spaanstalige informatie te lezen is. Er schijnen hier veel Brazilianen en Japanners met een Braziliaanse achtergrond te wonen.
   Tsja.
  Een dik halfuur later sta ik op de universiteit, gelegen op een flinke heuvel. In Nederlandse begrippen zeg maar een gevalletje Sint-Pietersberg. Ik tuur over de lome stad die voor me ligt. In het zuiden schittert de zee en heel in de verte is de landtong te zien waar de Hamaoka kerncentrale staat nabij Omaesaki. Een paar weken geleden stonden in het stadscentrum twee mannen met een grote banner en microfoon de tegens op te sommen. Angstwekkende cijfers over radioactiviteit en afbraaktijden. Maar vrijwel niemand had er aandacht voor.
   Recht voor me ligt de stad, met daarachter bergenrijen. Hier en daar steekt een zendmast boven de gebouwen uit. De avondhemel kleurt spaarzaam oranje. Verder naar het noorden, noordwesten, pieken de wit besneeuwde toppen van de Zuidelijke Japanse Alpen boven de glooiende bergen uit.
   De avond valt.
   Goedenacht.

Tuesday, March 29, 2011

Vanuit Shizuoka

Vanaf binnenkort zal ik proberen om dit blog weer met enige regelmaat te voorzien van nieuwe berichten, ditmaal met als vaste standplaats Shizuoka.

Deze stad ligt aan de Japanse oostkust, niet ver ten zuid-westen van de berg Fuji en miljoenenstad Tokyo. Zelf telt Shizuoka zo'n 725.000 inwoners en mag het zich wat oppervlakte betreft rekenen tot de 'grote' steden van Japan. Kijk voor een globale indruk bijvoorbeeld eens op deze website met informatie over de gelijknamige prefectuur.

Zoals gezegd hoop ik snel weer te beginnen met mijn 'berichtgeving vanuit Japan', dus kijk regelmatig op Het Gouden Paviljoen. Voor nu is het wachten op ervaringen en inzichten die de moeite van het vertellen waard zijn.

Thursday, March 25, 2010

Japan is als jazz



Vanaf mijn eerste ervaringen in Japan ben ik steeds meer gaan houden van jazz. Het leven in Japan trekt op vrijwel dezelfde manier als jazz aan me voorbij, soms in een wat sneller ritme en dan weer behoedzaam, maar altijd met een bepaalde dynamiek en emotie. Japan is als jazz.
   Neem een winkelstraat in hartje Tokio in de wijk Ginza. Jazz. Vrijwel iedereen gaat gekleed in zomerse kleding, maar tegelijkertijd met een melodie omringt die klasse uitstraalt. De man op de voorgrond, ogenschijnlijk een zakenman, maar het zou zomaar een jazzpianist kunnen zijn. Ik zie hem al zitten, voorovergebogen achter zijn piano en met gedecideerde hand de toetsen beroerend. Uit het instrument spreekt het Japanse jazz hart, welke zich door de lucht verplaatst als een swingende luchtstroom. De vrouw rechts van hem, van wie we de blote kuiten zien, zou zomaar de virtuoze zangeres kunnen zijn. Het beeld ademt jazz. Ik zie ook nog wel een geschikte drummer, eventueel zelfs een saxofonist of bassist. Het zit er allemaal in.
   Afgelopen winter zat ik in Japan aan de bar. Op de achtergrond vulde de ruimte zich met ingetogen en sfeervolle jazzmuziek, met voor me een wodka lime. Het was voorlopig de laatste avond voor me in Nagasaki, helaas. Ik praatte wat met de barman, een jongeman van begin dertig die zeer geïnteresseerd was in Nederland. Verder was de zaak vrijwel verlaten, op twee vrouwen na die zich na geruime tijd ook even in het gesprek moeiden. Het bleken beide masseuses te zijn. Niet veel later masseerde de een de ander, en ik bedacht me dat het als jazz was. Op dezelfde manier als de muziek de emoties masseert, beroert de masseuse de spieren op geoefende wijze. De barman en ik hadden het ondertussen weer over Nederland, en de verschillen met Japan. Het ging over de standaardonderwerpen: het Nederlands elftal, de Nederlandse bieren – hij haalde een aantal dranken van Nederlandse herkomst tevoorschijn –, mijn overwegingen om naar Japan te komen, maar hij legde een oprecht enthousiasme in zijn vragen en overpeinzingen. Op een gegeven moment was het bijna sluitingstijd, het liep tegen half drie ’s nachts, dus besloot ik om op huis aan te gaan.

Wat was het heerlijk om hier in Japan zo op deze manier in alle rust te kunnen zitten, en na te denken over de dingen die ik maar niet uit mijn gedachten kon krijgen. Japan is als jazz, waarop mijn gedachten meevloeien.

Japan is jazz.

Dat bleek ook de volgende dag. ’s Avonds laat arriveerde ik in Fukuoka. Ik had nog zo’n vijf uur te gaan voordat mijn vliegtuig zou vertrekken en aangezien het midden in de nacht was leek het mij verstandig die uren – hoe kort ook – op te vullen met slaap. Ik wilde echter niet zomaar mijn laatste avond in een doodgewoon hotelletje doorbrengen: ik mikte op iets met een beetje meer stijl. Iets jazzy. Dat was gauw gevonden in een capsulehotel.
   Ik liep het station van Fukuoka uit naar het capsulehotel een paar straten verderop en overal kwam Japan op me af. Her en der stonden straatstalletjes waar je râmen kan eten en bij het drukke kruispunt stond een student flyers uit te delen. Ik keek nog even hoe laat de eerste metro de volgende ochtend richting het vliegveld zou vertrekken – tien vóór zes – en ten slotte begaf ik me naar mijn laatste overnachting in Japan, voor voorlopig.
   Het capsulehotel bleek nog mooier te zijn dan ik me had kunnen voorstellen: bij binnenkomst diende ik eerst mijn schoenen uit te doen, waarna ik op zoek kon gaan naar mijn toch ook weer niet al te kleine capsule. Ik trof een yukata aan en een aantal handdoeken, de boodschap was duidelijk: geniet nog een laatste keer van een Japans bad in stijl. En dat deed ik. Ik begaf me naar de bovenste verdieping – ook hier stond weer jazzmuziek op – en ontdeed me van mijn kleding. Er bleek een waar badhuis te zijn, alhoewel niet al te groot, maar wel een in stijl. De jazz begeleidde de weerspiegeling van de lichten op het water, die vervolgens op de glimmende zwarte muren weerkaatste. Ik spoelde me eerst grondig af, zoals het hoort, en nam daarna plaats in het bad. Er bevonden zich niet veel andere hotelgasten, slecht twee of drie. Buiten lokte een ware rotenburo mij, een buitenbad, dus ik verplaatste me naar buiten. Het gebouw bevond zich tussen andere gebouwen, dus een geweldig uitzicht kreeg ik niet te zien. Toch had het wel wat: op de zevende verdieping baden in de koele openlucht. De verlichting van het bad veranderde met regelmatige tussenposen van kleur. Japan is als jazz.
   Een wat oudere man voegde zich bij me in het bad. Overduidelijk een zakenman die na overgewerkt te hebben, zich daarna met collega’s te goed had gedaan aan drank. Ik had hem tijdens het inchecken ook al zien staan. Sterker nog: hij kwam binnenzetten toen ik bezig was met inchecken. Er was maar één receptionist aanwezig, wat de man blijkbaar nogal vervelend vond want hij vroeg direct of er niet nog iemand kon komen om hem te helpen. Hij moest echter maar wat geduld hebben. Toen ik eenmaal uitgelegd had gekregen welke gegevens ik in diende te vullen, wendde de receptionist zich tot hem. Tot driemaal toe moest hij vragen of de man al was ingecheckt, of dat hij dit nu wenste te doen. Het bleek het laatste te zijn, maar de dronken man had wat moeite zijn gedachten er bij te houden, dat was duidelijk.
   Maar nu voegde hij zich dus naast me. Klaarblijkelijk deed het bad hem goed, want hij was al redelijk nuchter en zelfs in staat om mij aan te spreken. Na eerst de complimenten voor mijn Japans daarnet bij de receptionist in ontvangst genomen te hebben, begon de man de vertellen over hoe heerlijk hij het badhuis vond. En ik kon hem geen ongelijk geven, uiteraard niet. Maar tot mijn verbazing bleek de man een aantal straten verder op te wonen en niet zoals vaak van capsulehotel-bezoekers beweerd wordt, de laatste trein naar huis gemist te hebben. Zou de man dan toch niet naar huis hebben gedurfd, de tweede categorie waar vaak over gesproken wordt, bang om zijn vrouw in dronken toestand te woord te moeten staan. Hoe het ook zij, na even gesproken te hebben verliet hij het bad en wenste hij me nog een fijne avond. Niet veel later begaf ik me ook naar de kleedruimte, het was mooi geweest. Nog even een krappe vier uur slapen en dan ben ik weer op weg naar Nederland. Weg van de jazz van Japan.



Ook ge-wel-dig:

Saturday, February 6, 2010

Terug, naar Japan!

Ik open de schuif van het kleine vliegtuigraam om me een blik op het landschap onder me te verschaffen. Een ijzige Russische vlakte trekt aan mij voorbij, met hier en daar een mistige pluk wolken boven besneeuwde bergtoppen. Uit mijn hoofdtelefoon klikt Hitomi wa daiyamondo, gevolgd door Sayonara moyô en Koibito yo, nummers uit de afspeellijst Japanse klassiekers. Ik probeer weer wat te slapen voordat ik in Tokio aankom, waar ik moet overstappen om verder te vliegen naar Fukuoka.
    Het is donker geworden. Het vliegtuig wint aan snelheid en laat de drie netjes naast elkaar opgestelde grondwerkers achter zich, terwijl deze het vliegtuig uitzwaaien en nog een laatste buiging meegeven. Het beeldscherm van het entertainmentsysteem laat de lampen zien op de startbaan, met daarachter de lichten van de stad. De camera moet zich recht op de neus van het vliegtuig bevinden, of niet ver daaronder. De wielen komen los van de grond, terwijl de stad in omvang toeneemt op het scherm, zodat het op een gegeven moment lijkt alsof er niks anders is dan één grote vlakte van licht. Juist op het moment dat ik verwacht de nachtelijke hemel te zien te krijgen, schakelt het scherm over op een andere camera – onder het vliegtuig. In plaatst van een nachtlucht krijg ik de donkere zee te zien, met de golven die functioneren als een soort sterren. Hoe hoger het vliegtuig komt, hoe meer het daadwerkelijk er op begint te lijken.

Ik ben weer in Japan.
    Andermaal voel ik hoe ik me ontspan, terwijl mijn zintuigen geprikkeld worden. Ik hoor, zie en voel Japan. Het beleefde Japans dat in de omroepberichten klinkt, informatieborden die me vertellen waar ik terecht kan voor een Japanse maaltijd.
    Ik stap het vliegveld van Fukuoka uit, op zoek naar de juiste bushalte. Voor me prijkt de vrijwel volle maan in de hemel. Ik hoef niet lang te wachten tot iemand me toeschiet met de vraag waar ik naartoe moet. Nadat ik de man vertel dat ik onderweg ben naar Nagasaki wijst hij me door naar een vrouw van de pendelbus, bij wie ik een ticket koop. Ze legt me haarfijn uit waar ik over moet stappen en laat me de vertrektijden zien. Ik heb nog even, en bij de overstaphalte dien ik eveneens een ruime tijd te wachten zie ik.
    Een halfuur later kom ik aan bij die halte waar ik over moet stappen voor de bus naar Nagasaki. Daar sta ik dan, te blauwbekken op een vrijwel verlaten terminal voor internationale vluchten. Er komen een aantal bussen langs, naar plaatsen waar ik ooit ben geweest. Oita, Kumamoto, Saga. De buschauffeur van de bus naar Sasebo vraagt me of ik daar niet toevallig naar toe moet. Na een ontkennend antwoord kijkt hij enigszins vertwijfeld naar de bustijden en zijn horloge, want als ik niet naar Sasebo ga, rijden er dan nog wel bussen naar andere steden?
    ‘Ah, Nagasaki,’ zegt hij.
    Ik knik instemmend, waarna hij gerustgesteld de bus weer instapt en wegrijdt. Niet veel later stopt er een auto, waaruit drie jonge vrouwen stappen. Ze voegen zich met drie koffers en nog wat andere bagage naast me op het trottoir. Ondertussen duurt het niet lang meer voor de bus zou moeten komen.
    Wanneer deze arriveert stapt de buschauffeur uit om te helpen met de koffers in het laadruim op te bergen. Hij richt zich eerst tot de drie vrouwen en informeert waar ze van plan zijn uit te stappen. Vervolgens kijkt hij mij weifelend aan. Hij is overduidelijk in dubio of hij me nu in het Japans aan moet spreken, of een poging moet doen in het gebrekkige Engels dat hij hoogstwaarschijnlijk spreekt. Ik ben hem voor en zeg hem in het Japans tot waar ik mee wil reizen, waarna hij alle koffers op volgorde van uitstaphalte rangschikt in het laadruim. De drie jonge vrouwen laten ondertussen hun verbazing klinken in wat gelach en verbazingkreetjes. Heerlijk, in ben weer de buitenlander in een land dat zich grotendeels houdt aan de wetten van uniformiteit. Ik stap in en al gauw houdt de chauffeur zijn welkomstpraatje. Achter het raam trekt Japan aan me voorbij, ik ben weer op weg naar Nagasaki.



Saturday, January 23, 2010

Monday, September 28, 2009

Terug

Eenentwintig uur vijfendertig, terwijl het vroeg in de morgen zou moeten zijn. Ik kan er nog steeds niet aan wennen. De maan kleurt de hemel met een bijna intense gloed, op het oranje af, terwijl het juist de zon zou moeten zijn die de ochtendlucht schildert met een breed palet aan kleuren.
        De trein rolt door het Nederlandse landschap. Waar ik in Japan op dit soort momenten terugdacht aan Nederland, schreeuwen mijn gedachten me nu met weemoed terug naar Japan. Ik hol ze in alle macht achterna, ik mag ze niet laten ontkomen, nu niet. Meestal denk ik terug aan Japan op willekeurige momenten, zodat het me bijna treft als een bliksemschicht. Dikwijls voel ik mijn gedachten dan net zo snel, als via een bliksemafleider, weer wegvloeien, waarna de energie onverricht ter zaken verdwijnt. Maar dit keer niet. Nu heb ik ze stevig beet en laat ik me mee terugvoeren.

Ik kijk naar buiten, langs de dikke druppels die op het verregende raam hun weg naar beneden zoeken. Ik sta in de huiskamer en hoor de kolkende watermassa door de afvoergoot naast de weg heen razen, op weg naar bredere kanalen die op de zee uitkomen. Ik moet zo nog naar buiten, helaas. Boodschappen doen, maar ik besluit eerst mijn was maar binnen op te hangen, zo goed en zo kwaad als dat kan, aan hangers, stoelen en kastdeuren. Drogen doet het toch wel, want ondanks de regen blijft het warm.
        Ik mis het zelfs, dat regenseizoen. Niet de regen zelf, maar wel de glimmende straten waar de druppels bijna vrolijk op neerkletteren, wel de saamhorigheid onder degene die zich op straat wagen, de aangename temperatuur voordat de hoogzomerperiode zijn intreden doet.
        Wanneer ik de volgende dag op weg naar de campus in de stromende regen moet wachten bij de spoorwegovergang lacht een Japanner me vriendelijk toe, als om te zeggen dat ook dít Japan is. We wisselen wat woorden uit, waarna we beide onze eigen barre tocht voortzetten. Deze regenval is van groot belang voor regio’s als Nagasaki, besef ik, want afgezien van deze hevige buien rond mei en juni valt er nauwelijks een druppel water, wat droogte betekent als het regenseizoen niet goed mee werkt. En meewerken deed het afgelopen jaar, afgezien dat het seizoen wat laat op gang kwam en daardoor ook langer voortduurde. Tijdens een voetbaltraining een paar dagen later blijkt het gevaar van zulke heftige regens. Alhoewel ik er niet van op de hoogte was, bleek er gewaarschuwd te zijn voor overstromingsgevaar. Terwijl de voetbal af en toe blijft liggen op het modderige veld, schalt er een omroep over de stad: de waarschuwing is niet langer van kracht. De waterstanden zijn weer dalende. Zo voltrok het regenseizoen zich voor ik er erg in had.
        Ja, ook dit is Japan, kan ik nu beamen. Dat is geen negatieve noot, want als er iets is dat ik in Japan geleerd heb, dan is het wel om me minder druk te maken over allerhande zaken die er uiteindelijk toch vrij weinig toe doen. Een beetje regen zorgt er trouwens voor dat je voor het heerlijke weer na het regenseizoen meer waardering krijgt. Daarmee ben ik tot een van de punten gekomen die het land zo aantrekkelijk maakt: balans. De balans tussen de vier seizoenen is van een ongekende subtiliteit. Regen laat zich volgen door zengende hitte, waarna het weer langzaam afkoelt en de herfstbladeren kleur krijgen. Dan wordt het winter, mild, verfrissend en uiteindelijk komen de kersenbloesems tot bloei om de cyclus weer opnieuw te beginnen. Schoonheid doordrenkt Japan in alle vier de seizoenen, steeds weer kortstondig met wat langere overgangsperiodes. Perfectie in alles.

Dan ben ik weer terug.

De trein houdt stil op een station, geen idee welk. Een man van middelbare leeftijd stapt uit. In beide handen draagt hij een reiskooi met zich mee.
        Een neusje steekt tussen de tralies door, met daarachter twee donkere, schitterende ogen. Geluidloos zit het daar, zo ver mogelijk weggedoken, maar het is onvermijdelijk. Bij elke stap die de man zet kantelt de bodem van de reiskooi zich tot een onoverwinnelijke hellingshoek. Het lijfje achter de naarstig heen en weer schietende ogen vouwt zich samen onder het gewicht van het achterlijf waaronder de pootjes alle houvast verliezen, waardoor het neusje nog steviger tegen de tralies wordt gedrukt. En weer terug, mee op het deinende ritme van de reiskooi, mee met elke pas die de man zet. Haar reisgenoot in de reiskooi welke aan de andere zijde van de man eenzelfde soort beweging vertoont, heeft het al niet veel makkelijker.
        De grote wijzer op mijn polshorloge verspringt.
        Eenentwintig uur tweeënveertig. De korte wijzer blijft roerloos staan, terwijl de secondewijzer zich met zichtbare tegenzin voortduwt. Tergend langzaam dus, alsof het de eindeloze cirkels die het dient te beschrijven wil ontvluchten. De enige ontsnappingsmogelijkheid is door zichzelf de tegenovergestelde richting in te krijgen, om er vervolgens achter te komen dat het dan te beschrijven figuur niets veranderd is met voorheen.
        De tijd verstrijkt bijna stapsgewijs, zoals de man met zijn langzame tred uit het zicht verdwijnt. Ik bevind mij in een zelfde positie als de katten in de reiskooien, heen en weer geschud tussen gevoelens, maar hoe dan ook keihard met de neus op de feiten gedrukt door alles om me heen. Feiten welke welhaast een traliewerk voor mijn ogen opgooien en me tegelijkertijd klem zetten tussen vijf matzwarte muren. Achter me, links, rechts, boven en onder, zodat er niks anders op zit dan me over te geven aan de zwaartekracht.
        ‘Je bent weer in Nederland.
        ‘Terug bij af, wen er maar aan!
        De feiten beuken keihard in op mijn gemoed en laten me niet met rust. De ondergrond kantelt steeds verder terwijl ik mijn grip erop voel afzwakken, totdat het bijna een ijzig oppervlak wordt met meer gevaarlijk zwakke plekken in het toch al dunne ijs dan me lief is.

Ik neem mijn toevlucht weer in gedachten.

De avondlucht kleurt donkerrood boven Nagasaki. Het is nog ontzettend warm, terwijl de stad zich onder mij op maakt voor de avond, een zomeravond. Ik kijk uit over het water, over de haven en over deze stad die zich tegen de bergen vlijt. Zoals de stad in harmonie is met de omgeving, zo wil ik mij ook neer kunnen vlijen in harmonie met mezelf, maar ik weet dat dit vrijwel onmogelijk is. Ik weet dat de vergankelijkheid zich harder dan ooit aan me opdringt en me bijna linea recta naar Nederland terugstuurt, alsof ik hier nooit ben geweest.
        Ben ik er eigenlijk wel echt geweest? Ik begin er steeds vaker aan te twijfelen. Het leven is zonder echte onderbreking doorgegaan, het afgelopen jaar voorbij als een zucht.
        Ik begin aan de afdaling en begeef me richting het onlangs geopende sushirestaurant. De bordjes met sushi komen op de lopende band voorbij. Zalm, tonijn, inktvis, ei. Hier en daar grijpt een hand naar een bordje, terwijl de mensen op andere zitplaatsen achter hun opgestapelde bordjes voor zich uit staren. Ik voel me als zo’n bordje met daarop een gerecht. In mijn reis door Japan ging ik van stad naar stad, als over een lopende band en door de stad Nagasaki werd ik stevig vast gepakt. Het gerecht, ik dus, werd verorberd, terwijl het bordje achterbleef, zoals mijn lichaam ontdaan is van zijn inhoud en weer naar Nederland ging, terwijl mijn eigenlijke ‘ik’ door Japan is opgeslokt.
        Zogezegd, ik bevind me nog dáár. Ergens.
        Het theezakje met groene thee neemt het warme water tot zich en verspreidt een zacht groene waas totdat het water verzadigd is. Ik breek twee wegwerpeetstokjes van elkaar af en omklem met enige moeite een sushi van rijst, rauwe ui, zalm en mayonaise.
        Eet smakelijk.

De trein is alweer bij het volgende station aangekomen. Wanneer ik links van me kijk zie ik de lichten van een stad, die vager worden hoe langer ik er naar kijk. De vage schijnsels smelten samen, totdat ik niets meer zie dan een witgeel vlak bij elkaar gehouden door een honingraatpatroon, mijn herinneringen als de zoete kleverige honing die ik er van af probeer te schrapen.

Het is half augustus. Voor me strekt het meer, Kawaguchiko, zich uit. Er staan tientallen camera’s opgesteld, het grasveldje is afgeladen en op het podium staat een groep taikodrummers enthousiast op hun taiko’s te slaan. Het moment is bijna aangebroken waarop de lantaarns te water worden gelaten, de vlammetjes staan al ongeduldig te wachten op een steiger, zij aan zij. Er komen tientallen bootjes aangevaren om de lantaarns op te halen, waarna ze één voor één in het water worden gelaten. Uiteindelijk vormen de lichtjes samen een lange rij, dobberend op het wateroppervlak. De monniken verheffen hun gezang, terwijl ik toekijk, tot het diepst geroerd.

De berg Fuji steekt aan de overkant van het meer boven de hemel uit. Eindelijk is de bewolking opgetrokken, maar een uitzicht zoals dikwijls op ansichtkaarten te zien is, blijft uit.
        Al een tijdje loop ik te peinzen. Ooit las ik eens iets over het merkwaardige van de vermenigvuldigingskracht van een vlam, hoe beter ik er over na ga denken hoe meer het mij treft. Houd je bij een brandende kaars de lont van een andere kaars en de vlam zal groter worden. Wanneer je de tweede lont vervolgens weghaalt, zakt de oorspronkelijke vlam weer tot zijn eerdere volume. Maar, opeens heb je twee vlammen van beide eenzelfde volume die niet voor elkaar onderdoen, die desalniettemin er eigenlijk naar hunkeren samen opnieuw één grote te vormen.
        Daar, bij het meer Kawaguchiko, was niet de eerste keer dat ik hieraan dacht, maar het was me nog altijd niet duidelijk waarom het me zo intrigeerde. Nu weet ik het: kan het niet zo zijn dat Japan een lont in mij heeft ontstoken, die toen ik in Japan was samen met de oorspronkelijke vlam één grote vlam vormde? Nu ik weer in Nederland ben is die vlam in mij niet gedoofd, maar weggehaald van de oorspronkelijke vlam. Niet alleen heeft Japan dus mijn eigenlijke ‘ik’ opgeslokt en achter gehouden, Japan is ook achter gebleven in mijn ontheemde lichaam in de vorm van een klein vlammetje. Alles wat mij staande houdt is deze zwakke vlam en het gevaar bestaat dat met het uitgaan hiervan al het leven uit mij wordt geblazen. Een ander reëel gevaar is dat, wanneer de vlam te lang rusteloos blijft branden, de brandstof genaamd mijn lichaam opraakt.
        Eens temeer wordt me duidelijk dat ik geen andere keuze heb, dan zo snel mogelijk terug gaan naar Japan, zodat de twee losse vlammen samen weer één grote kunnen vormen, een die nooit zal doven.






Thursday, June 25, 2009

Zomer

Het is zomer geworden. Een jas is al lang niet meer nodig, hoogstens een paraplu voor tijdens de hevige regenbuien die zo nu en dan overtrekken. Midden op de avond begint het wat te rommelen in de verte, je hoort het onweer als het ware over de heuvels trekken, totdat het recht boven je hangt. Een, twee harde klappen, met wat geluk nog een derde als toegift en het is weer voorbij. Wat blijft is een stevige bui die de straten schoonspoelt.

En het regenseizoen moet eigenlijk nog beginnen. Dat belooft wat.

De volgende morgen hangt de zon weer stralend in de lucht. Het is warm. Ontzettend vochtig ook door de hoge luchtvochtigheidsgraad, waardoor het alleen nog maar warmer lijkt. Regende het de vorige dag nog dat het een lieve lust was, vandaag is er nergens een koele druppel te bekennen. Of ja, toch wel. De goot op het balkon is nat, er ligt zelfs een plasje water. Maar niet van de regen van gisteren. Het water komt uit de grote apparaten die op het balkon staan opgesteld, onderdelen van de airconditioning die het huis nog enigszins koel moet houden en de luchtvochtigheid naar beneden brengt door het vocht te verzamelen en af te voeren.

En het moet nog écht zomer worden. Dat belooft wat.


Tuesday, April 28, 2009

Franse vierbaanswegen

Geschreven: 28-apr-2009, Nagasaki.

Vandaag, 2 april, zag ik de beelden van Anton Corbijn bij het U2 album No Line On The Horizon. Ze deden me verlangen naar de oneindige vierbaanswegen in Frankrijk. Brede wegen met hier en daar een péage – het woord trof ik vanmiddag ook al aan in de alom geprezen roman van Harry Mulisch, Twee Vrouwen. De vierbaanswegen door glooiende en uitgestrekte gebieden, bloemenvelden ernaast, daar deed het me naar verlangen. Maar de jonge bloemen willen zich nog niet blootgeven. Of beter gezegd, ze staan nu nog naakt tegen elkaar aan gedrukt in de koude lentemiddag, wachtend tot ze genoeg moed verzameld hebben om hun volle kleuren te tonen.

Ik kreeg een intens verlangen naar het Frankrijk waar brede wegen op een gegeven moment weggeven aan smalle en drukke straten, boerenlandwegen of kleine stadskernen. Naar de steile bergwegen die al meanderend de klim naar boven wagen, naar die wegen waarlangs op bescheiden witte borden – half weggezakt in de berm – oude Franse dorpen in zwarte letter staan aangegeven. Dorpen waarvan de naam zich moeizaam laat uitspreken, Saint-Auban-sur-L’Ouvèze, Le Nouvion-en-Thiérache, Beaurepaire-sur-Sambre, dat werk. Naar Franse dorpen die verlaten ogen, maar waar het volstroomt in de gigantische hypermarché’s langs drukke wegen.

Maar het is natuurlijk onzin.

Verlangen naar een land als Frankrijk, terwijl je in een land als Japan zit. Ik hoef de deur maar uit te stappen om dat te beseffen. De kersenbloesems waren onlangs tot volle bloei gekomen, totdat ze er plotseling genoeg van hadden. Wat dat betreft deed het me enigszins denken aan rokjesdag, waar Martin Bril elk jaar weer prachtig over kon verhalen.

“Rokjesdag is die ene dag in het voorjaar dat alle vrouwen als bij toverslag ineens een rok dragen, met daaronder blote benen,” zo luidde zijn definitie. Met de kersenbloesems is het ook ongeveer zo gesteld, als bij toverslag zijn alle bomen plotseling ontdaan van hun roze bloesem, voor een kort moment nakend. Hiervoor in de plaats komen – ook weer bijna als bij toverslag – verse groene blaadjes, als het begin van een nieuw leven, een nieuw jaar.

Van rokjesdag kan trouwens dan weer geen sprake zijn, in Japan. Het hele jaar door lopen vrouwen, en met name schoolmeisjes, rond in rokjes. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, in het weekend, tijdens de vakanties, zomer of winter, vrije tijd of tijdens schooluren, groepjes schoolmeisjes lopen af en aan, giechelend en al, in hun schooluniform dat onder andere bestaat uit een rokje. Meestal marine blauw of zwart, maar een enkele keer ook in een bruine variant. De jongens lopen ook in schooluniform, een uniform dat bij mij soms overkomt als een combinatie van een pak met een uniform wat bij een marineofficier over de schouder zou kunnen hangen. Ik moet zeggen dat het wel wat heeft, zo’n schooluniform.

Goed, het is dus lente.

Een lente, zo’n lente die je van je levensdagen niet in Frankrijk tegen zou komen. De bergen om me heen zijn groen gekleurd van de bebladerde bomen. Sommige bomen lijken dromerig als wolken, van die schapenwolken in een mooi lichtblauwe lucht. De stam wordt aan het oog onttrokken door het weelderige bladerendek, waardoor al wat rest een zachte wolk lijkt. Een beetje zoals blote vrouwenbenen soms verscholen gaan onder wat langere rokken, zodat je alleen af en toe een glimp van licht gebruinde huid te zien krijgt.

Ach. Het is een onbeschrijfelijke lente in een onbeschrijfelijk land, dat is eigenlijk het enige wat ik er echt over kwijt kan. Dus dat verlangen naar Frankrijk vervloog ook binnen de kortste keren, nog sneller dan het verschenen was. Ik verlang er nu alleen nog maar naar langer in Japan te kunnen blijven, maar wat dat betreft is dit jaar weer te vergelijken met het kortstondige bloeien van de kersenbloesems: ongelofelijk mooi, maar een veel te kort leven beschoren.




MARTIN BRIL 1959-2009
De eeuwige rust zij hem gegund, veel te vroeg, een kortstondig leven.

Sunday, April 19, 2009

Lente

geschreven: 12-apr-2009, Nagasaki.

In het jonge gras
sliep ze met ogen open–
een lente avond.






Monday, April 6, 2009

Lentesneeuw

Foto's gemaakt in Nagasaki en Osaka.

Gevleugelde geuren voort gedragen
neerdalend de grond bedekt.
Sereen, de zachte roze lente
bloesem zuchtend in beweging gebracht.










Monday, March 30, 2009

Turen in de verte

geschreven: 30-mrt-2009, Nagasaki.

De golven breken tegen de rotsen, maar zonder al te veel enthousiasme. Zonder de intentie het land op te klimmen. Gewoon rustige golven die – zoals golven dat nu eenmaal doen – richting kust kabbelen en op de rotsen tot stilstand komen. Nee, niet zozeer tot stilstand komen, ze verdwijnen terwijl ze in kleine druppels uiteenspatten, de rotsen omarmend. Anders dan de golven die even verderop het zandstrand op rollen en zich terug begeven, waarna ze overspoeld worden door een volgende golf om opnieuw op te gaan in de uitgestrekte zee.

De oceaan.

In een land als Japan ontkom je bijna niet aan die uitgestrekte zee. Het eilandenrijk bestaat uit zóveel eilanden – meer dan drieduizend, de meeste daarvan niet al te groot en een heel aantal onbewoond. Daarnaast zijn er de grotere eilanden, de vier hoofdeilanden Hokkaido (北海道, Hokkaidô), Honshu (本州, Honshû), Shikoku (四国, Shikoku) en Kyushu (九州, Kyûshû), maar de kust lijkt nooit al te ver weg te zijn. Daarbij, de grote steden liggen allemaal aan de kust, vrijwel zonder uitzondering. Kortom, de zee is dáár. Daar, achter de bergen. Daar waar de zon opkomt en daar waar de zon ondergaat. Ergens.

De zee is daar waar grote boten onder nog grotere bruggen door varen, daar waar de heldere lucht overgaat in een oneindige horizon. De zee is hier ongelofelijk mooi, de traditionele huizen in sommige kustdorpen turen statig in de verte. Ik zou er graag willen wonen.

In de haven van Nagasaki zijn het geen traditionele huizen die de zee overzien, of eigenlijk de baai die naar de open zee leidt, maar middelhoge gebouwen die de skyline vormen van een moderne stad. Een stad met aan alle kanten bergen er omheen, waardoor je vanaf verschillende uitkijkpunten rondom de stad alles in je op kan nemen.

Vanaf Inasayama (稲佐山, Inasayama) heb je vooral ’s avonds een schitterend uitzicht, met duizenden lichten die als een rijkelijke – zeg maar overvolle – sterrenhemel de gedaante van de stad vormen. Als een lappendeken over de heuvels. Met enige trots ook wel een ten-million-dollar night view (1000万ドルの夜景, senman doru no yakei) genoemd, waarvan er in Japan drie zijn, te weten in Kobe (神戸, Kôbe), Hakodate (函館, Hakodate) en dus Nagasaki. Overdag is het interessanter om vanaf Konpirasan (金比羅山, Konpirasan) de stad gade te slaan, zo’n 366 meter boven zeeniveau. Net iets hoger dan Inasayama, 33 meter, maar zonder mogelijkheid 360-graden om je heen te kijken.

Wat er wel is: een telescoop. Alsof ik een vergrootglas boven een oude en vervaagde foto houd, laat ik mijn gezichtsveld glijden over de stad. In het Seaside Park worden honden uitgelaten, terwijl op het ruime grasveld hier en daar een groepje Japanners staat te honkballen, veelal jonge gezinnen. Het is een mooi gezicht. Iets dichterbij de berg zie ik een oud vrouwtje de trappen op zwoegen, met achter haar een drukke straat waar bussen doorheen rijden. Het duurt ook niet lang voordat ik de tramlijn heb weten te vinden. Even ten westen daarvan zijn schoolmeisjes enthousiast aan het tennissen op een zandveld, zoals wel meer sportvelden hier eenvoudigweg bestaan uit zand.

Het is moeilijk de diepte in te schatten op deze oude foto. Enigszins aangetast door het zonlicht is hij op bepaalde punten vergeeld, met hier en daar een kreukel. Maar hij is genomen vanuit een subliem standpunt.

Ik stop de foto weg in een lade van mijn geheugen, waar ik hem zo goed mogelijk hoop te behoeden voor de tekenen der tijd. Helaas zijn de negatieven al vanaf het moment van afdrukken verloren gegaan.

Een oude foto.

Ik tuur in de verte, zonder de verte te zien.